Een speciaal voor de Groningse locatie ontwikkeld, tijdelijk parkeerbeleid voor medewerkers, waarin carpoolen een belangrijke rol speelt. Een inventarisatie onder de 888 medewerkers leverde het volgende beeld op:
- 10 medewerkers hebben een OV-jaarkaart.
- 408 medewerkers wonen binnen een straal van 10 km van het werk.
- 24 medewerkers die verder dan 10 km van het werk wonen, hebben een OV-jaarkaart.
Uitgangspunten van het beleid zijn: - Medewerkers die binnen 10 km van het werk wonen: geen toegang tot het parkeerterrein. Voor hen is de fiets een alternatief. Als er een medische noodzaak is om met de auto te komen, bijvoorbeeld als iemand een fysieke beperking heeft of hoogzwanger is, kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt.
- Medewerkers die parttime werken (minder dan 4 dagen in de week): geen toegang tot het parkeerterrein. Redenering is dat het vervoers- en parkeerprobleem voor hen makkelijker is op te lossen dan voor wie 4 of 5 dagen werkt.
- Medewerkers die fulltime werken, verder dan 10 km van het werk wonen en carpoolen: voorrang en altijd recht op een parkeerplaats.
- Medewerkers die fulltime werken, verder dan 10 km van het werk wonen en niet carpoolen: zij verdelen de resterende plaatsen, te beginnen bij de verste reisafstand.
Uiteindelijk zijn er 44 carpoolteams gevormd, met een gemiddelde bezetting van 2,3 personen per auto. Op de 480 medewerkers die verder dan 10 km van het werk wonen is dat maar liefst zo'n 20 procent. De resterende 225 parkeerplaatsen werden verdeeld onder de medewerkers die fulltime werken, verder dan 10 km van het werk wonen en niet carpoolen. Te beginnen met de verste reisafstand. Dat bood plaats aan iedereen die verder dan 14 à 15 km van het werk woont. Voor wie minder dan 14 à 15 km van het werk woont en niet carpoolt, is dus geen parkeerplek beschikbaar. De bestaande vergoedingsregeling voor woon-werkverkeer, die het OV-gebruik al stimuleerde, bleef ongewijzigd. Beneden de 10 km geldt geen vergoeding. Boven de 10 km ontvangen medewerkers die met de auto komen een vergoeding op basis van OV. Deze vergoeding is gemaximaliseerd op 30 km. Wie aantoonbaar met het OV reist, krijgt op vertoon van zijn maandkaart de volledige reiskosten vergoed tot 50 km. | | Hoe werkt het praktisch? Iedere medewerker heeft een medewerkerspas. Wie recht heeft op een parkeerplaats kan met deze kaart de slagboom van het parkeerterrein openen. Deze functie kan door de afdeling Facilitair Bedrijf worden in- of uitgeschakeld, desgewenst dus ook tijdelijk. Wie met twee personen carpoolt, moet zich met zijn tweeën laten registreren. De pas van de een geeft dan bijvoorbeeld toegang op de maandag en dinsdag, de pas van de ander op woensdag, donderdag en vrijdag. Hoe kwam het beleid tot stand? De opstelling van het parkeerbeleid ging vooraf aan de verhuizing, die in september 2005 plaatsvond. De afdeling Facilitair Bedrijf nam het initiatief voor de beleidsontwikkeling. In het voorjaar van 2005 werd gestart met twee informele gesprekken met de afdeling Personeel & Organisatie (P&O) en de Ondernemingsraad (OR). De meningen over het op te stellen beleid liepen uiteen. Het bleek moeilijk om tot afspraken te komen waarmee iedere medewerker van Menzis gediend was. Het Facilitair Bedrijf besloot daarom tot de ontwikkeling van een conceptbeleid, dat in haar ogen rechtvaardig en uitvoerbaar was. Het conceptbeleid werd voorgelegd aan P&O, bijgeschaafd, besproken met OR, opnieuw bijgeschaafd en definitief vastgesteld. In augustus 2005 werd het parkeerbeleid - niet meer dan anderhalf A4-tje met spelregels, omdat het als tijdelijk beleid slechts vooruit zou lopen op het Menzis-brede mobiliteitsbeleid - gecommuniceerd met de medewerkers. Medewerkers moesten zelf een carpoolpartner zoeken en lieten zich vervolgens registreren bij de facilitaire servicedesk. Daar werd ook een lijst aangelegd van mensen die nog een partner zochten. Op het prikbord op intranet konden zij daarvoor ook een oproep plaatsen. In de praktijk bleken veel medewerkers in staat één carpoolpartner in hun woonomgeving te vinden; twee partners bleek een stuk moeilijker. Voor klachten werd een bezwarencommissie in het leven geroepen met een vertegenwoordiger van de afdeling Facilitair Bedrijf, de afdeling P&O en de OR. Die multidisciplinaire aanpak werkte uitstekend. Wel was er veel weerstand en kwamen er veel klachten binnen: circa 25, vooral van medewerkers die het niet eens waren met het onderscheid tussen parttimers en fulltimers. Om in behandeling te kunnen worden genomen moest een klacht ondersteund worden door de leidinggevende. Medewerkers dienden hun klacht schriftelijk in via de facilitaire servicedesk, en kregen via deze desk schriftelijk uitsluitsel van de bezwarencommissie. |